sluiten
| Sint Paulus van Thebe |
|
|
|
| Geschreven door Marja Mostert |
|
Het is het onderwerp van vele intensieve discussies wie nu de eerste monnik was die het voorbeeld heeft gezet voor het kluizenaarsleven. Want sommigen gaan terug naar de tijden van heilige mannen zoals Elias en Johannes die klaarblijkelijk meer dan monniken waren en later voor Zijn geboorte gingen profeteren. Anderen beweren dat Antonius de grondlegger van deze manier van leven was, wat gedeeltelijk waar is. Amathas en Macarius, twee van de leerlingen van Antonius die hun leraar in het graf gelegd hebben, bevestigen dat een zekere Paulus van Thebe de leider van deze beweging was, maar dat het toen nog geen naam had. Deze bewering van Amathas en Macarius heden ten dage bekeken heeft deze mening van Amathas en Macarius mijn goedkeuring. Sommigen hebben verhalen verspreid als dat hij een man was die in een ondergrondse grot leefde met lang haar tot aan zijn voeten en verzonnen vele ongelooflijke verhalen welke zinloos zijn te vertellen. Beiden Griekse en Romeinse schrijvers hebben nauwkeurige feiten over Antonius neergeschreven. Ik ben vastbesloten een korte geschiedenis te schrijven van de jonge- en laatste dagen van Sint Paulus; vele vragen zullen beantwoord worden zoals o.a: hoe het leven van Paulus was en welke aanvallen van de satan hij heeft doorstaan. Gedurende de vervolgingen van Decius en Valeriaan, toen Cornelius in Rome en Cyprian in Carthage hun bloed vergoten in gezegende martelaarsschap, waren vele kerken in Egypte en Thebe verwoest in het heetst van de strijd. In die tijd baden vele Christenen dat het zwaard hen zou raken in de naam van Christus. Maar de wens van de vijand was de ziel te onderwerpen en niet om het lichaam neer te slaan en dit deed hij zorgvuldig met langzame maar dodelijke martelingen. In de woorden van Cyprian, die zelf door deze leiders geleden heeft: “Zij verlangen naar de dood en sterven word hen onthouden…” We geven twee voorbeelden, beiden het vermelden waard om de wreedheid van de vijand duidelijk weer te geven. Een martelaar, standvastig in het geloof, die stand hield te midden van de pijnbank en de brandende platen, werd gedwongen, met honing besmeerd en met zijn handen op de rug gebonden, in de bloedhete zon te liggen. Hij had de hitte van de hete platen overwonnen maar werd verslagen door de steken van de vliegen. Een andere, die in de bloei van zijn jeugd was werd naar een schitterende tuin gebracht. In de tuin groeiden witte lelies en bloeiende rozen, aan de oever van een ruisende beek. Boven zijn hoofd was het zachte gefluister van de wind door de bladeren van de bomen. De martelaar werd op een luxueus dik veren bed gelegd, vastgebonden door lianen om te voorkomen dat hij zou ontsnappen. Toen de boze mannen hem alleen gelaten hadden verscheen een hoer van ongekende schoonheid en probeerde hem te verleiden door haar armen op sensuele wijze om zijn nek te strengelen. De vrouw dacht, dat als eenmaal de lust van het vlees opgewekt was, zij maar losbandige opdracht zou kunnen volbrengen. Wat te doen, en waarheen te keren wist de soldaat van Christus niet. Onverslagen door martelingen werd hij overmand door genot. Door een ingeving van Boven beet hij het einde van zijn tong af en spuugde het in haar gezicht terwijl zij hem kuste. Uiteraard – de intense pijn die volgde onderdrukten de gevoelens van lust. Terwijl soortgelijke wantoestanden plaatsvonden in Zuid Thebe bleef, ná de dood van zijn ouders, de 16-jarige Paulus achter als een rijke jonge man; zijn zuster was al getrouwd. Paulus was buitengewoon begaafd in zowel Grieks als Egyptisch onderwijs, bezat een lief karakter en een diepgaande liefde voor God. Tijdens het tumult van de vervolgingen trok Paulus zich terug in een afgelegen staande woning. Maar tot welke misdaad word de mens met een hatelijke dorst voor goud niet aangezet? Paulus’ zwager ontwikkelde het plan de jongeman, die hij eigenlijk moest beschermen, te bedriegen. Noch de veelvuldig geplengde tranen van zijn vrouw, noch het bloedverwantschap en evenmin het allesziende oog van God in de hemel konden deze verrader van gedachte doen veranderen. “Hij kwam, drong wreed aan terwijl hij deed voorkomen alleen uit genegenheid te handelen.” De jonge man had de gratie dit te begrijpen, voegde zich naar het noodzakelijke en vluchtte de wildernis van de bergen in om daar het verloop van de vervolgingen af te wachten. Beetje bij beetje baande hij zich een weg in de woestijn, af en toe terugkomend om vervolgens weer te gaan. Uiteindelijk vond hij, aan de voet van een berg, afgeschermd door een grote steen, een enorme grot. Hij verwijderde de steen en zag binnen een grote ruimte, open naar de hemel, maar in de schaduw van de bladeren van een oude palmboom. De boom verborg echter niet de bron met helder water, dat een stroompje vormde welke weer verdween in een kleine opening in het leefbare gedeelte. Daar zag hij, ruw van de roest, hamers om munten te slaan. Deze plek was volgens Egyptische schrijvers, in de tijd van Cleopatra’s vereniging met Antonius, een geheime muntslagerij. Paulus beschouwde zijn verblijfplaats als een geschenk van God, hechtte zich eraan en bracht de rest van zijn leven met gebed in eenzaamheid door. De palmboom voorzag hem het voedsel en kleding. Niemand zal geloven dat dit mogelijk is; Ik roep Jezus en de heilige engelen voor mij te getuigen dat ik in dat gedeelte van de woestijn tussen Syrië en Saracene, monniken gezien heb, waarvan er één dertig jaar lang opgesloten leefde van slechts brood en modderig water. Deze zaken lijken wel haast onmogelijk voor hen die niet geloven dat “alles mogelijk is voor hem die gelooft.” Sint Paulus had al 113 jaar het leven van hemel op aarde geleefd terwijl Sint Antonius, toen 90 jaar oud, op een andere plaats verbleef en bedacht dat er nergens in de woestijn een monnik verbleef die perfecter leefde dan hij. Echter, tijdens een nacht, werd hem openbaard dat een vader in de woestijn een betere man was dan hijzelf en dat hij hem moest gaan bezoeken. Dus, bij het aanbreken van de dag, vertrok de eerbiedwaardige oude man, zijn zwakke lichaam ondersteunend met een staf. Maar welke richting te gaan? Tegen het middaguur, terwijl de gloeiende zon op hem neer straalde, liet Antonius zich er niet van weerhouden zijn reis te stoppen. Hij zei: “Ik geloof in God. Hij zal mij, Zijn dienaar, de weg wijzen zoals Hij mij beloofd heeft.” En Antonius zweeg. Om mijn voorgenomen verhaal te vervolgen, Antonius doorkruiste het gebied dat hij betreden had en zag niets anders dan de sporen van wilde beesten en de wijde vlakte van de woestijn. Wat te doen, welke richting te volgen, Antonius wist het niet. Er was weer een dag voorbij. Er was hem één ding bijgebleven, zijn rotsvaste vertrouwen dat God hem niet in de steek zou laten. De donker van de tweede nacht verjaagde hij met gebed. Gedurende het ochtendgloren zag hij, niet ver van hem een vrouwtjes wolf, versmacht van de dorst naar de voet van een berg sluipen. Hij volgde het met zijn ogen; en toen het beest in de grot verdween kwam hij naderbij en onderzocht de grot. Zijn nieuwsgierigheid deed hem geen goed: de duisternis belemmerde zijn zicht. Maar, zoals de Bijbel zegt: “Perfecte liefde verjaagd angst.” Met aarzelende pas en ingehouden adem ging hij naar binnen, zijn weg zoekend op de tast. Hij kwam beetje voor beetje naderbij toen zijn oor een geluid opving. In de verte, voorbij de angstaanjagende duisternis, verscheen licht. In zijn geestdriftige haast stootte hij zijn voet tegen een steen waarmee hij een echo veroorzaakte. Door dit geluid sloot de gezegende Sint Paulus de steen voor de grot en zette die schrap. Toen zonk Sint Antonius voor de deur op zijn knieën en bad tot het zesde uur om binnengelaten te worden, biddende “Wie ik ben en waarom en waar vandaan ik gekomen ben weet u. Ik weet dat ik het niet waardig ben u aan te kijken, maar ik zal niet gaan alvorens u gezien te hebben. U verwelkomt beesten, waarom dan geen mensen? Ik heb gevraagd en ik heb gevonden. Ik klop zodat er voor mij geopend zal worden. Maar mocht ik daar niet in slagen dan zal ik hier, op uw drempel sterven. Voorzeker zult u mijn lichaam ter aarde bestellen.” En zo bleef hij onbewegelijk staan in voortdurend klagen. Zijn held antwoordde hierop “Dit soort gebeden bevatten geen dreigementen, er is geen bedrog in tranen.” Dus Paulus opende de deur. Zij omhelsden elkaar en groetten elkaar en dankten gezamenlijk de Heer. Na de heilige omhelzing, ging Paulus zitten en sprak tegen Antonius. “Aanschouw de man die u gezocht met zoveel inspanning gezocht heeft, zijn ledematen verbrokkeld door ouderdom, zijn grijze haren onverzorgd, u ziet voor u een man die mettertijd vergaan zal tot stof. Maar sinds liefde alles overwint, vertel mij dan. Ik smeek u, hoe vergaat het de mensen? Zijn nieuwe huizen gebouwd op de oude steden? Welke regering heerst over de wereld? Bestaan er nog demonen die door hun waanvoorstellingen misleid worden?” Terwijl zij zaten te praten, bemerkten zij met verwondering een raaf die op de tak van een boom neergestreken was en nu langzaam naar hen toe vloog en een heel brood voor hen neer legde. Zij waren verbaasd en toen de vogel weer weg was zei Paulus; “Zie, de Heer, waarlijk vol liefde en waarlijk vol genade, heeft ons een maaltijd bezorgd. Gedurende de laatste zes jaar ontving ik steeds een half brood; maar met uw komst heeft Christus dit soldatenrantsoen verdubbeld.” Nadat zij de Heer dankten zaten zij samen aan de rand van de heldere beek. Toen ontstond er een meningsverschil over wie het brood zou breken en bijna de gehele dag en avond werd aan deze discussie gewijd. Paulus stond erop dat zijn gast de eer kreeg terwijl Antonius erop stond dat hogere leeftijd voorrag had. Uiteindelijk besloten zij dat eenieder een kant van het brood vast zou houden en gezamenlijk zouden trekken en dat eenieder het hem toegekomen deel zou behouden. Zij dronken wat water met hun mond uit de beek, offerden een gebed aan de Heer en brachten de nacht al wakend door. Bij het aanbreken van de dag sprak de heilige Paulus tegen Antonius “Ik heb lang geweten dat je in deze omgeving verbleef broeder. Lang geleden heeft God mij jou beloofd als mededienaar. Omdat mijn einde nadert, daar ik altijd verlangd heb tot stof te vergaan om bij Christus te mogen vertoeven, is mijn weg beëindigd en rest mij de kroon van de rechtvaardigen. Daarom bent u mij gezonden door de Heer om mijn arm lichaam te begraven teneinde stof aan de aarde terug te doen keren. Toen hij dit hoorde begon Antonius klagend te bidden met tranen in zijn ogen en vroeg Paulus om hem niet alleen achter te laten en hem te laten vergezellen op zijn reis. Zijn vriend antwoordde: “Je moet niet jouw eigen maar het beste voor een ander zoeken. Het is passend voor jouw het wereldse af te leggen om het Lam te dienen; maar het is wenselijk voor de rest van de broeders opgeleid te worden door jouw voorbeeld. Wees daarom zo goed de mantel te halen die Bisschop Athanasius jou gegeven heeft en daar mijn lichaam in te rollen.” De heilige Paulus vroeg niet om deze gunst omdat hij graag in de mantel begraven wilde worden maar omdat hij zijn overlijden wilde verzachten tegenover zijn vriend. Antonius was verbaasd dat Paulus over de mantel van Bisschop Athanasius wist en durfde derhalve niet te antwoorden. Het leek hem alsof hij Christus zag in Paulus en hij aanbad God in het hart van Paulus. In stilte wenend kuste hij nog één maal de ogen en handen van Sint Paulus en keerde terug naar het klooster; het zelfde klooster dat overvallen werd door de Saracenen na de dood van Sint Paulus. Zijn stappen konden zijn geest niet bijhouden. Maar uitgeput als hij was door vasten en vergevorderde leeftijd zegevierde zijn geest over zijn leeftijd. Uitgeput en naar adem snakkend volbracht Antonius zijn reis en bereikte zijn kleine behuizing. Twee leerlingen die al vele jaren Antonius terzijde stonden, renden hem tegemoet terwijl zij riepen: “War bent u zo lang gebleven vader?” Antonius antwoordde: “Wee mij zondaar!” Ik verdien niet de naam monnik te dragen. Ik heb Elias gezien, Ik heb Johannes in de woestenij gezien en ik heb waarlijk St Paulus in het paradijs gezien.” Hij klemde zijn lippen opeen, sloeg op mijn borst en haalde de mantel uit zijn cel. Toen zijn leerlingen hem vroegen wat er gaande was antwoordde Antonius, : “Er is een tijd van zwijgen en een tijd van spreken.” Toen verliet hij het gebouw en zonder ook maar een hap te eten keerde hij dezelfde weg terug die hij gekomen was, verlangend naar Paulus, dorstig hem te zien, zijn ogen en gedachten alleen aan hem gericht. Hij vreesde dat zijn vriend tijdens zijn afwezigheid zijn geest aan Christus zou overgeven. En de tweede dag daagde en toen hij drie uur onderweg was zag hij sneeuwwitte gewaden afdalen hoog boven een horde engelen en de koren van profeten en apostelen.. Hij gooide zich onmiddellijk tegen de grond en gooide grof zand over zijn hoofd huilend en jammerend terwijl hij riep: “Waarom stuurt u mij weg Paulus? Waarom vertrekt u zonder een groet? Heeft u zichzelf zo laat kenbaar gemaakt om zo snel weer te vertrekken?” De heilige Antonius vervolgde de rest van de afstand zo snel dat het leek alsof hij vloog als een vogel. En dat was niet zonder reden. Toen hij binnenstapte zag hij het levenloze lichaam in geknielde houden, hoofd omhoog en de armen opgetild. Het eerste wat hij deed, denkende dat Paulus nog in leven was, was naast hem te gaan zitten en bidden. Maar toen Antonius het zuchten, welke doorgaans gepaard gaan met het gebed niet hoorde, kuste hij hem, huilde en begreep dat zelfs het levenloze lichaam van de heilige nog geknield tot God, aan wie al het leven is, bad. Vervolgens omwikkelde hij het lichaam en droeg het naar buiten, onderwijl psalmen en gezangen zingend volgens de christelijke traditie. Antonius klaagde dat hij geen schep had om in de grond te graven. Dus in een zwellende zee van gedachten en overwegingen zei hij: “Als ik naar het klooster terugkeer duurt me dat 4 dagen, als ik hier blijf kan ik niks betekenen. Laat mij dan maar sterven, zoals passend is, naast Uw soldaat oh Christus, en ik zal spoedig mijn laatste adem uitademen.” Terwijl al deze zaken overwoog, snelden twee leeuwen uit het diepst van de woestijn, hun manen wapperend in de wind op hem af. Eerst schrok hij bij het aanzicht, maar zijn gedachten weer naar God kerend, wachtte hij zonder angst alsof hij duiven zag. |


Artikelen 








