sluiten
| Sint Stefanus |
|
|
|
| Geschreven door Marja Mostert |
|
Maria werd rond 345 A.D. (61 A.M.), tijdens de overheersing van Justinius in Egypte geboren als dochter van godvruchtige ouders. Zij kreeg een degelijke en christelijke opleiding maar als 12-jarig meisje verliet zij haar ouderlijk huis om in Alexandrië een wild leven te lijden. Zeventien jaar lang genoot zij van de aandacht van de mannen zonder daarvoor betaald te krijgen, slechts voor een stuk brood of wat drinken, ging zij met een ieder mee die maar lief voor haar was. Zij leefde uitsluitend voor de lust. Toen op een dag een schip vol pelgrims de haven van Alexandrië aandeed, verspreidden de schepelingen zich al snel door de straten van de stad. Het kwam Maria ter ore dat er een schip aangemeerd lag vol mannen die op weg waren naar een groot feest in Jeruzalem. Zij dacht dat, als er vele mannen in Jeruzalem waren voor dat feest, zij met haar lichaam die mannen wel zou kunnen verleidden. Maria spoedde zich naar de kapitein van het schip en smeekte hem haar met zich mee te nemen. Aangezien zij geen geld, noch bezittingen had kon zij haar overtocht niet betalen. Zij kwam toen met de kapitein overeen dat zij haar overtocht in natura zou betalen en hard zou werken aan boord met het bedienen van de zeelieden. Eenmaal aangekomen in Jeruzalem liet Maria zich meeslepen met de schare mensen, wierp zich op een paar jonge mannen en verleidde hen met haar duivelse manieren en gelach. Zij zag hele groepen pelgrimvaarders naar de kerk gaan waar het graf van Christus stond. Zij was nieuwsgierig naar wat ze daar gingen doen. Maria probeerde de kerk binnen te gaan maar een vreemde kracht verhinderde het haar om een voet over de drempel te zetten. Iedereen kon makkelijk naar binnen gaan maar zij werd daarvan weerhouden. Zij begon stiekem te lachen en bedacht dat zij door haar vermoeidheid de kracht niet had om nog een stap te verzetten. Zij probeerde het wederom en nogmaals voelde zij alsof een vreemde kracht haar ervan wilde weerhouden verder te gaan. Nadat zij drie of vier keer geprobeerd had binnen te gaan gaf zij haar pogingen op. Uitgeput leunde zij tegen de muur in het voorportaal van de Opstandingskerk en in vertwijfeling sloeg zij zichzelf op haar borst, huilde diep vanuit haar hart: "Waarom mag ik niet naar binnen?. Zijn het mijn zonden die mij daarvan weerhouden?" Zij sloeg haar ogen op, zag een icoon van de Heilige Maagd Maria en de reinheid van haar uitstraling maakte dat zij zich diep schaamde. Haar hele zondige verleden passeerde voor haar ogen en dat maakte dat zij zich nog dieper schaamde. Zij knielde voor de icoon en smeekte om een kans om alsnog haar Redder te kunnen volgen. Zij vroeg om de hulp van de Maagd. Zij smeekte haar Redder om haar te sparen en haar weer naar Zijn rechte pad te leiden. Zij beloofde oprecht dat, als zij het Heilige Kruis mocht aanschouwen, zij alle wereldse geneugten zou afzweren en zich aan Zijn wensen zou overleveren. Toen zij daar zat te bidden vulde haar hart zich met zekerheid. Al biddend verliet zij het portaal en mengde zich in de menigte die zich een weg de kerk in baande. Zij bevond zich nu bij de deuren die zij eerder niet had mogen binnengaan, maar deze keer kon zij zonder problemen doorlopen en al snel bevond zij zich binnen in de heilige plaats. Maria wierp zich op haar knieën, biddend, trillend en vol tranen kuste zij het Heilige Kruis. Zij vergat de tijd en bleef daar tot het midden van de dag. Eindelijk kwam zij weer naar buiten en stopte bij de icoon van de Heilige Maagd, de plek waar zij haar belofte had gedaan. Zij schreeuwde vanuit haar hart: "Glorie aan God, die de boete van de zondaars accepteert door Uw voorspraak, Liefdevolle Vrouwe. Wat kan ik nog meer zeggen? Ik die vol zonden ben? Het is nu mijn beurt om de belofte aan U te vervullen, neem mij bij de hand naar het pad van de boete!" Toen hoorde zij een stem waarvan zij dacht dat die voor haar bestemd was; "Als je de Jordaan oversteekt zul je weldadige rust vinden." Toen zij deze stem gehoord had huilde zij de Theotokes toe: "Oh, Geliefde Vrouwe, laat mij niet in de steek." Eén van de pelgrims gaf haar drie zilverstukken waarvan zij drie broden kocht en zij begaf zich op weg naar de rivier de Jordaan. In tranen liep zij door de poort de stad uit. Tegen zonsondergang bereikte zij de Sint Johannes de Doper Kerk welke aan de oever van de Jordaan stond. De hele nacht bracht zij biddend en huilend in de kerk door en in de vroege ochtend nam zij deel aan de Heilige Mis. Daarna stak zij de rivier over en verbleef 47 jaar in de woestijn, ver weg van alle verlokkingen van de wereld, biddend tot God die alle zondaars die tot hem komen, vergeeft. De naam Stefanus komt uit het grieks en betekent "kroon" of "bloemenkrans". Stefanus was de eerste martelaar die de kroon der martelaren ontving. Hij was een Griekse Jood, dat wilt zeggen, een Jood die een Griekse opvoeding kreeg en de Griekse taal sprak. Hij was één van de eerste zeven diakenen, een man vol geloof en kracht en hij verrichtte veel wonderen onder de gelovigen (Hand. 6:8) "En Stefanus, vol van genade en kracht, deed wonderen en grote tekenen onder het volk." Naast zijn hoog religieuze opvoeding sprak hij met een bijzondere spirituele taal en een warm hart. Hij werd als diaken gekozen toen de Apostelen merkten dat zij hulp nodig hadden bij het dienen van de armen en behoeftigen zodat zij meer tijd konden besteden aan de missie en getuigenis voor de Heer Jezus de Verlosser, hetgeen hun belangrijkste roeping was. "En de twaalven riepen de menigte des discipelen bijeen en zeiden: Het bevredigt niet, dat wij met veronachtzaming van het Woord Gods de tafels dienen. Ziet dan uit, broeders, naar zeven mannen onder u, die goed bekend staan, vol van Geest en wijsheid, opdat wij hen voor deze taak aanstellen; maar wij zullen ons houden aan het gebed en de bediening van het woord." (Hand. 6:2-4) De gelovigen kozen zeven wijze mannen vol van de Heilige Geest "hen stelden zij voor de apostelen die hen, na gebeden te hebben, de handen oplegden." (Hand. 6:6). De persoonlijkheid en de wonderen van Sint Stefanus riepen de jaloezie, afgunst en verzet van zijn Griekse landgenoten op "en zij waren niet bij machte de wijsheid en de Geest, waardoor hij sprak, te weerstaan." (Hand. 6:10) Door hun falen en de ontmaskering van hun zwakte werden zij nijdig en hebben zij het volk, de oudsten en de schriftgeleerden tegen hem opgejaagd. Zij hebben Sint Stefanus ontvoerd en brachten hem voor de Raad: "Toen schoven zij mannen naar voren, die zeiden: Wij hebben hem lasterlijke woorden tegen Mozes en God horen spreken. En zij brachten zowel het volk als de oudsten en de schriftgeleerden in opschudding; en op hem aandringende, sleepten zij hem mede en leidden hem voor de Raad, en voerden valse getuigen aan, die zeiden: Deze mens spreekt onophoudelijk lasterlijke woorden tegen deze heilige plaats en de wet, want wij hebben hem horen zeggen, dat deze Jezus, de Nazareeër, dee plaats zal afbreken en de zeden veranderen, die Mozes ons heeft overgeleverd. En allen, die in de Raad zitting hadden, zagen, toen zij hem aanstaarden, zijn gelaat als het gelaat van een engel." (Hand. 1:11-15) Vóór de Raad heeft Sint Stefanus een historisch betoog gepresenteerd waarin hij de geschiedenis van het Israëlitische volk vanaf Abraham via hun verblijf in Egypte en het leven van Mozes en zijn opvoeding in het huis van de farao en zijn vlucht naar de Sinaï, zijn ontmoeting met God in het brandende braambos en alle wonderen die hij ten overstaan van de farao heeft verricht tot de vlucht van de Israëlieten uit Egypte en de oversteek van de Rode Zee en in dat hele verhaal accentueerde hij de rechtmatigheid van God en de hardheid van het hart van het joodse volk en zodoende keerde hij zijn verweer in een brutale aanval op zijn bevrachters. Zijn woorden waren vurig en overtuigend, vol met bewijs van zijn onschuld en van zijn gelijk, maar zij bereikten hun harde harten niet, dus beëindigde hij zijn betoog met de krachtige woorden: "Hardnekkigen en onbesnedenen van hart en oren, gij verzet u altijd tegen de Heilige Geest; gelijk uw vaderen, zo ook gij, Wie van de profeten hebben uw vaderen niet vervolgd? Zelfs hebben zij hen gedood, die geprofeteerd hebben van de komst van de Rechtvaardige, van wie gij nu verraders en moordenaars geworden zijt, gij, die de wet ontvangen hebt op beschikking van engelen, doch haar niet hebben gehouden." (Hand.7:51-53) De woorden van Sint Stefanus hadden hun afgunst vergroot en hen kwaad gemaakt, maar hij was met zijn hart verheven naar God in de hemel en hij zag de glorie Gods en Jezus Messias aan Zijn rechterhand en hij zei: "Zie, ik zie de hemelen geopend en de Zoon des mensen, staande ter rechterhand Gods." (Hand. 7:56) Deze woorden brachten haat en nijd in hun harten en zij sloten hun oren net als of hij lasterlijk sprak en zij vielen hem aan en brachten hem buiten de stad en stenigden hem, maar hij deed net als zijn Verlosser "en op de knieen vallende, riep hij met luider stem: Here, reken hun deze zonde niet toe! En met deze woorden ontsliep hij." (Hand. 7:60) Dit gebeurde in het jaar 36 of 37 A.D. Saulus was één van de toeschouwers van de steniging van Sint Stefanus en hij heeft zelfs de kleren van de stenigers bewaakt. Het moet ook zo zijn geweest dat velen, inclusief Saulus, geraakt werden door de laatste woorden van Sint Stefanus en bekeerd werden, zoals Saulus later. Het doden van Sint Stefanus werd gevolgd door de vervolging van de gelovigen in Jeruzalem Wij weten de details niet. Wij weten dat Saulus meedeed en dat deze vervolging resulteerde in de verspreiding van de gelovigen, behalve de Apostelen, in Judea en Samaria. "En Saulus stemde in met zijn terechtstelling. En er ontstond te dien dage een zware vervolging tegen de gemeente te Jeruzalem; en allen werden verstrooid over de streken van Judea en Samaria, met uitzondering van de apostelen. En vrome mannen droegen Stefanus ten grave en bedreven grote rouw over hem." (Hand. 8:1+2) De Joden dachten dat het doden van Sint Stefanus en het vullen van de gevangenissen met de christenen het christendom in de kiem zou smoren, dat gebeurde echter niet, "Zij dan, die verstrooid werden, trokken het land door, het evangelie verkondigende." (Hand.8:4) En zo werd de marteling, vervolging en verstrooiing van de christenen de manier om het woord van de verlossing te verspreiden van Jeruzalem naar heel Judea en Samaria, zodat de woorden van de Messias aan Zijn Discipelen: "maar gij zult kracht ontvangen, wanneer de Heilige Geest over u komt, en gij zult mijn getuigen zijn te Jeruzalem en in geheel Judea en Samaria en tot het uiterste der aarde." (Hand. 1:8), hiermee bevestigd worden. Wij herdenken zijn martelaarschap op Moge de gebeden van deze heilige met ons zijn. Amen. |


Artikelen 








